RADAR+ Online

Word Abonnee

tekst: Lara Aerts fotografie: Wout Jan Balhuizen

_MG_5902-flat.jpg

Daag uit dat kind!

Twee of zelfs drie brugjaren blijken ideaal te zijn voor laatbloeiers, leerlingen met een achterstand(je) en kinderen met een advies dat niet eenduidig is. Maar óók vwo’ers doen het goed in de brede brugklas op de Stedelijke Scholengemeenschap Nijmegen.

Ema Fetahovic (12) wil al haar hele leven orthodontist worden, of iets anders in de tandheelkunde. Toen ze in groep acht een vmbo-t-advies kreeg, was ze teleurgesteld. ‘Ik had beter van mezelf verwacht: havo of vwo. Maar ik had faalangst en daarom lukte de Cito-toets niet goed.’ Haar ouders gingen praten op school. De leerkracht zei: ‘Laten we onderaan beginnen, en vanuit daar verder groeien.’ Ema zit nu in de eerste brugklas van de Stedelijke Scholengemeenschap Nijmegen, waar kinderen met vmbo-t-, havo- en vwo-advies bij elkaar zitten. Omdat de niveaus van leerlingen zo uiteenlopen, krijgen ze niet allemaal dezelfde uitleg. Docenten bieden de stof aan op drie niveaus en ook de toetsen bevatten vragen op drie niveaus. Kinderen beginnen in principe op het niveau van hun advies, en kunnen – in overleg met de docent – per vak een hoger niveau proberen. Of, als het te veel wordt, een tijdje op een lager niveau werken. Na twee jaar splitsen zij die vmbo-t-examen gaan doen af, na drie jaar kiezen de havisten en vwo’ers hun definitieve richting.

EN WEG IS DE FAALANGST
Behalve geschiedenis volgt Ema alle vakken op havo- of vwo-niveau. Van faalangst heeft ze namelijk geen last meer. Teamleider Gijs Klaver denkt dat dat komt doordat er niet zoveel druk op de cijfers staat. ‘In veel gemengde brugklassen wordt na het eerste jaar al een schifting gemaakt: kinderen met gemiddeld een 7 of hoger voor de kernvakken gaan naar het hoogste niveau, de kinderen met een 6,9 of lager naar het laagste niveau. Dat geeft – net als de Cito-toets – voor sommige kinderen prestatiedruk en dat werkt faalangst in de hand. Die druk is bij ons veel minder. Alleen een cijfer is niet doorslaggevend voor de schoolloopbaan en bovendien heeft een kind twee of drie jaar de tijd om te ontdekken wat het leuk vindt, waar het goed in is, en waar extra aandacht voor nodig is.’

NATHAN, ALINA EN PIP 
‘Die tijd kunnen veel scholieren goed gebruiken’, zegt rector Marcel Janssen. ‘Kinderen maken na de basisschool vaak een enorme ontwikkeling door, iets waar het advies in groep acht niet altijd op kan anti­ciperen.’ Nathan (12) is daar een voorbeeld van. Op de basisschool kreeg hij een vmbo-kt-advies. ‘Ik vond het niet zo bij me passen’, herinnert Nathan zich, ‘maar het was alweer heel snel uit mijn hoofd. Ik was nog niet zo bezig met school, ik hield vooral van spelen.’ Zijn ouders dachten dat Nathan wat meer uit­daging kon gebruiken, en de SSgN wilde die bieden. Nu, een jaar verder, doet hij alle vakken op havo-niveau en is geschiedenis zijn favoriete vak. Was hij naar een vmbo-school ge­gaan, dan had hij de kans om havo te gaan doen niet gehad. Soms is in de tweede of derde klas nog steeds on­duidelijk welk schooltype het meest geschikt is voor een kind, weet rector Janssen.

Alina (16) uit 4 vwo is zo’n leerling. ‘Ik wilde vwo doen, maar wist niet zeker of ik het kon. Ik begon op havo-niveau. Ik moest hard werken, maar mijn cijfers waren goed. In de tweede deed ik sommige vakken op vwo-niveau. Maar pas in de derde wist ik het zeker: ik wil vwo, en ik kan het ook.’ Ook Pip Brekelmans (13), nu in het tweede jaar van de brugklas, is blij dat ze volgend jaar nog heeft om zich te bewijzen. Ze had een havo/vwo-advies maar wil dolgraag naar het vwo om daarna kinderpsycho­logie te studeren. Toch gaat het nu wat minder met de cijfers. ‘Ik heb met de docenten afgesproken dat ik rust neem. Ik volg de instructies op vwo-niveau, maar doe de toetsen op havo-niveau. Over een tijdje kijken we weer verder.’ Pip vindt het niet onrustig, dat gewissel van niveaus. Ze denkt dat kinderen (of hun ouders) die erg houden van zekerheid misschien beter af zijn op een school waar de uitstroomrichting eerder vast komt te staan. Zelf heeft ze die behoefte niet: ‘Ik blijf proberen om vwo te halen.’



VAST BLIJVEN ZITTEN OP EEN TE LAAG NIVEAU
Voor de SSgN is een brede brugklas al zo’n veertig jaar een beproefd recept, dwars tegen de Nederlandse trend in. Volgens cijfers van de Onderwijsinspectie neemt het aantal brede (of heterogene) brugklassen in Nederland al jaren af, terwijl het aantal smalle (of homogene) brugklassen, met maar één schoolniveau, toeneemt. Voor leerlingen die al op hun twaalfde op school- niveau worden geselecteerd, is het problematisch als op de middelbare school blijkt dat ze meer in hun mars hebben. Want zij zitten in een homogene brugklas ‘vast’ op een te laag niveau, en gaan op voor een lager diploma dan nodig was.

EEN KWART HAALT EEN HOGER NIVEAU DAN HET ADVIES
De leerlingen op de SSgN hebben wél de mogelijkheid om ‘op te stromen’, zoals dat heet in jargon, en daar maken ze gretig gebruik van. Ongeveer een kwart van de kinderen haalt een diploma dat een vol niveau hoger uitvalt dan het advies waarmee ze binnenkwamen, landelijk lukt slechts één op de tien kinderen dat. Als je de kinderen mee­rekent die van een gemengd advies terechtkomen op het hoogste van de geadviseerde niveaus, dan is het percentage zelfs 40 procent. Dat komt mogelijk niet alleen door de extra tijd die ze krijgen, maar ook doordat ze zich aan elkaar kunnen optrekken.

MAAR HOE ZIT HET MET DE VWO’ERS?
Handig dat optrekken, voor de vmbo- en havoleerlingen. Maar hoe zit het met de vwo’ers? Aan wie trekken zij zich op? Rector Janssen herkent de vraag. Hij krijgt hem steevast op elke introductieavond voor ouders van leerlingen uit groep acht. Janssen: ‘Ik stel dan meteen een tegenvraag: of ouders zich dat ook afvroegen toen hun kind naar de basisschool ging. Daar zitten alle kinderen door elkaar, leerkrachten geven ze op verschillende niveaus les - als het goed is.’ Op die vaardigheden worden docenten op de SSgN getraind, zegt Janssen: ‘Kunnen inspelen op individuele behoeften is essentieel. Dat geldt trouwens voor elke vorm van onderwijs. In een homogene vwo-brugklas bestaan ook niveauverschillen waardoor een leerling zich kan vervelen als hij niet wordt uitgedaagd.’ Overigens is Janssen geen tegenstander van het homogene brugklasmodel. ‘Ik pleit voor variatie, zodat er voor elk kind een plek is waar hij tot z’n recht komt en zich thuis voelt.’ Zo leerling die op de basisschool altijd de laagste cijfers haalde fijn zijn om naar een homogene klas te gaan en daar uit te blinken. En een leerling die altijd de hoogste cijfers haalde vindt het misschien prettig om op een categoriaal gymnasium eens niet de beste te zijn. Maar de angst dat op zijn school een vwo’er wordt opgeofferd voor de prestaties van een havist, is volgens Janssen onterecht. ‘Hier op school stromen vwo’ers zelfs minder vaak af dan het landelijk gemiddelde.’

LEREN VAN ELKAAR
Tim (13, tweede brugklas) is zo’n vwo’er die voor de SSgN koos. Hij woont vlak in de buurt en wist altijd al dat hij erheen wilde. Hij vindt het prettig dat hij andere kinderen kan helpen, want van uitleggen leert hij zelf ook. Bovendien valt hem op dat som­mige vmbo’ers heel goed zijn in praktische en expressievakken, iets waar hij ze om benijdt: ‘Daar leer ik weer veel van.’ Tim doorliep destijds fluitend de basisschool. ‘Ik deed niks en haalde hoge cijfers.’ In de eerste brugklas brak hem dat op. Tim: ‘Het lukte helemaal niet meer met de cijfers. Ik twijfelde of ik niet gewoon havo moest gaan doen.’ Zijn docenten vonden dat niet goed; Tim kon best vwo, maar moest nog ‘leren leren’. Teamleider Rypma: ‘Je ziet vaak dat dit soort kinderen, dat nooit iets heeft hoeven doen, in de brugklas onderuitgaat. Op een categoriaal vwo of gymnasium was Tim na het eerste jaar geheid afgevallen: blijven zitten in de brugklas kan daar meestal niet. Maar hier heeft hij drie jaar de tijd.’

ZE WORDEN SOCIAALVAARDIGER 
Op de SSgN kunnen de leerlingen ook in de bovenbouw - wanneer de uitstroomrichting al bekend is - vakken op verschillende niveaus doen. Daardoor blijven de klassen gemengd en dragen kinderen veel minder het stempel van hun niveau. Janssen: ‘We hebben leerlingen die vmbo-t-eindexamen doen, maar wel Engels op Cambridge-niveau volgen, of alle creatieve vakken op vwo-niveau.’ Teamleider Rypma ziet het effect van dit ‘mengen’ op het dagelijks schoolleven. ‘Je ziet dat de verschillende school- types geen eilandjes vormen. In de brugklas ontstaan ‘verticale’ vriendschappen die in de bovenbouw bestendig blijken.’ Rector Janssen benadrukt hoe waardevol dat is: ‘Sociaal worden kinderen heel handig. Daar hebben ze hun hele leven wat aan.’

IEDEREEN ZIJN EIGEN TALENTEN EN STRUIKELBLOKKEN
Rypma denkt dat leerlingen zich op deze manier breed ontwikkelen en zelfvertrouwen krijgen. Dat zelf- vertrouwen is volgens haar een voorwaarde voor een fijne school- loopbaan. Rypma: ‘Maar pas op, zelfvertrouwen is niet hetzelfde als een gevoel van superioriteit, omdat je toevallig goed kunt leren, maar een diep verankerd gevoel dat het kind goed is zoals het is, met zijn talenten en struikelblokken. Rypma: ‘Pas als het kind zelfvertrouwen heeft, kan het gaan groeien. Daarom steken we er zoveel energie in.’

 




Deze website maakt gebruik van Cookies. Waarom? Klik HIER voor meer informatie.