RADAR+ Online

Word Abonnee

tekst: Lara Aerts | fotografie: Annemarijne Bax

_Annemarijne_Bax_-_009_RADAR_Cindy.jpg

Portretten: Zij werken in de zorg

Elke dag lopen duizenden zorgverleners zich het vuur uit de sloffen. Er is frustratie over lange uren, bezuinigingen, te weinig salaris. En dan is daar die andere kant: de onmetelijke voldoening als je echt iets voor iemand kan betekenen. Vijf zorgspecialisten aan het woord.

Cindy Smit (38) is verpleegkundige op de Spoedeisende Eerste Hulp van een ziekenhuis.
‘Toen mijn moeder in het ziekenhuis belandde met een hersenvliesontsteking en ik zag wat daar op de werkvloer speelde, dacht ik: dat kan ik ook. Ik vond de opleidingen – mbo-v, hbo-v en de specialisatie – boeiend, inhoudelijk en medisch-technisch interessant. Je krijgt op pittig niveau anatomie, fysiologie en psychologie. Dat is nodig ook, want de eerste hulp is een hectische werkomgeving, waarin je snel moet inschatten en handelen, en goed moet samenwerken met artsen. Op een en dezelfde dag kun je bijvoorbeeld te maken krijgen met een reanimatie, iemand met een beroerte, een kind met een ingewikkelde beenbreuk, iemand met een schotwond, mensen die een verkeersongeluk hebben gehad, psychotisch zijn of heel benauwd. Bij ernstige zaken worden wij van tevoren gebeld door de ambulance; we zorgen dan dat het juiste team klaarstaat. Maar als we niet worden gebeld, doen wij verpleegkundigen de eerste opvang en beslissen of er een specialist bij moet komen. Heel veel handelingen verrichten wij zelf. Een breuk zetten en gipsen, infusen inbrengen, bloed afnemen, reanimeren, hartfilmpjes maken, beademen, iemand aan de bewakingsmonitor aansluiten en als het moet zelfs intuberen. Dat maakt het werk zo interessant. Ik merk wel dat de werkdruk steeds hoger wordt. Er is een tekort aan eerstehulp- verpleegkundigen en daarbij is er ook bezuinigd. Onze afdeling is door een fusie twee keer zo groot geworden en we doen het werk met hetzelfde aantal mensen. Dat wil zeggen dat ik acht uur achter elkaar loop te buffelen en vaak niet eens vijf minuten tijd heb om te eten. Soms kan ik maar kort bij een patiënt op de kamer zijn, en moet ik weer door. Terwijl ik eigenlijk nog wat wil uitleggen of, bijvoorbeeld bij oudere mensen, een praatje wil maken. Dat ik van twee avonddiensten twee dagen moet bijkomen vind ik tot daaraan toe. Maar het is vervelend dat ik niet de zorg en aandacht kan geven die mensen verdienen. Gelukkig werk ik in een heel hecht team en vind ik mijn werk nog steeds geweldig. Wat ik allemaal zie en meemaak op een dag, dat kan je met niets anders vergelijken.’

Co van Melle (81) is basisarts. Hij helpt onge­documenteerden, daklozen en verslaafden. ‘
Mijn vader was arts en ziekenhuisdirecteur. Alles bij ons thuis ademde geneeskunde, verpleegkunde en zorg. Zelf wilde ik niks anders. Ik ben altijd dokter geweest van groepen mensen die geen eigen huisarts of toegang tot reguliere zorg hebben. Eerst bij het collectief De Witte Jas, waar gastarbeiders en daklozen hulp kregen. Later ging ik op eigen houtje werken. Ik heb mijn eigen vak gecreëerd waarin ik mensen in de illegaliteit opzoek. Om hiervan te kunnen leven moet ik zelf af en toe met de pet rond. De laatste vijf jaar help ik ook mensen die geen asielprocedure meer hebben lopen, maar ook het land niet uit kunnen of willen. Ik zie deze periode als een hoogtepunt in mijn loopbaan. Als ongedocumenteerde word je in Nederland bepaald niet in de watten gelegd. Maar het interessante is dat deze groep mensen zelfstandig is, veel van hun eigen cultuur bewaart en er onderling een hoge mate van solidariteit heerst. Het zijn vaak leuke mensen van wie er maar weinig verslaafd zijn. Een aantal heeft zich verenigd in de groep We Are Here. Ze geven niet op, blijven vechten voor hun basisrechten. Mijn bewondering voor deze mensen is de reden dat ik elke dag weer op pad ga.  Ik begin om 9 uur ’s ochtends bij de bed-, bad- en broodopvang. Met een klein team zeg ik iedereen goedemorgen. Als er problemen zijn, medisch of anderszins, krijg ik dat ter plekke te horen. Ook verneem ik of er elders mensen ziek zijn. Daarna ga ik ze bezoeken. Ik weet waar ze wonen of overnachten, ik weet wanneer ze zich weer verplaatsen naar een andere locatie. Als er iemand uitvalt of achterblijft, help ik. Ik loop achter deze groep aan als een bezemwagen. Daar heb ik een volledige dagtaak aan.’

Bert Stelder (62) is sinds zijn 28ste huisarts. 
‘Mijn moeder was verpleegkundige, een soort Florence Nightingale. Voor anderen moest altijd gezorgd worden. Ze had zich weleens laten ontvallen dat ze eigenlijk liever dokter wilde zijn. Ze hoopte dat een van haar kids die kans zou grijpen. Ik ging geneeskunde studeren uit nieuwsgierigheid – hoe zit het menselijk lichaam in elkaar en hoe werkt het? – niet zozeer vanuit het verlangen mensen beter te maken. Het huisartsen- vak is heel breed, dat sprak me aan. De eerste twaalf jaren werkte ik als solist. De afgelopen twintig jaar worden huisartsen uitgedaagd om steeds meer soorten handelingen en werkzaamheden te verrichten, met meerdere medewerkers. Op mijn praktijk werken nu – naast mijn collega-huisarts –psychologen, praktijk­assistentes en praktijkondersteuners voor diabetes, hart- en vaatziekten en longaandoeningen. Je kan zo niet alleen overleggen over patiënten, maar ook samen de koers van de praktijk bepalen en projecten opzetten op het gebied van bijvoorbeeld ouderenzorg of internetcommunicatie met je huisarts. Dat is een groot verschil met vroeger. Toen was je gewoon dokter, nu ben je meer ondernemer. Het leukste aan het vak vind ik de bonte verzameling patiënten met wie ik te maken krijg. Jong, oud, hoogopgeleid, laagopgeleid, allochtoon en autochtoon. Bij elke patiënt vraag ik me weer af: welk type dokter heeft deze patiënt nodig? Een vaderlijke, eentje die aandringt of juist een dokter die de ander laat uitweiden over mogelijke diagnoses? Bovendien wordt het me gegund om bij mijn patiënten thuis te komen. Dat vertrouwen vind ik een hele eer. Als ik zie hoe iemand leeft, snap ik sneller wat er aan de hand kan zijn. Soms tref je bijvoorbeeld een zwaar vervuild huis aan, terwijl je dat in eerste instantie niet achter de patiënt had gezocht. Het vak is ook inhoudelijk veranderd de afgelopen jaren. Toen ik 34 jaar geleden begon, had je amper richtlijnen hoe je moest behandelen. Je vond met vallen en opstaan je weg. Dat was moeilijk, en bovendien medisch inhoudelijk niet zo best. Met de komst van richtlijnen voor behandelingen is een enorme kwaliteitsachterstand weggewerkt.’

Brigitte Bakker (35) werkt als verzorgende in de ouderenzorg.
‘Ik ben zorgzaam van aard en heb een zwak voor ouderen. Ze zijn vaak eenzaam, ook als ze nog familie hebben. Ik probeer met mijn aanwezigheid dat gevoel een beetje weg te nemen. Bewoners laten op hun eigen manier merken hoe blij ze zijn met de hulp die ik ze geef. Soms heb ik het gevoel dat ze me niet herkennen, maar als ik bijvoorbeeld terugkom van vakantie, hoor ik vaak dat ze blij zijn dat ik er weer ben. Er is de laatste jaren veel bezuinigd op de ouderenzorg. Soms sta je met zo weinig mensen dat je niet de zorg kan geven zoals je dat graag wil. Je werkt op zo’n dag voor twee, en gaat toch met een onbevredigd gevoel naar huis. Gelukkig is er nu weer een beweging de andere kant op; de politiek is zich ervan bewust dat er juist geld en mensen bij moeten. Het is belangrijk dat wij meer kunnen doen dan verzorgen, observeren en administreren. Aandacht geven en leuke dingen doen zijn net zo waardevol. Tijdens het werk bouw ik een band op met de bewoners. Dat maakt het lastig als ze overlijden, al kan het mooi zijn om iemand goed bij te staan in de laatste fase van haar of zijn leven. Ooit lag een bewoonster te sterven terwijl haar man nog onderweg naar haar was. Ze pakte mijn handen vast en keek me angstig aan. Het enige wat ik kon doen was door haar haar strijken en zeggen: ‘Het is goed zo, ik blijf bij je en ik ga niet weg voordat je man bij je is.’ Toen hij aankwam was mevrouw helaas al overleden. Haar man was verdrietig dat hij te laat was, maar dankbaar dat ik zijn vrouw had ondersteund. Hij vond het ook belangrijk te weten hoe het met me ging na deze heftige ervaring. Het verzorgingshuis is voor onze bewoners hun ‘laatste stationnetje’. Die periode moet zo mooi en liefdevol mogelijk verlopen, ook voor hun naasten. Het geeft een goed gevoel om daaraan bij te dragen.’

Frédérique van Berkestijn (47) is kinderarts- kinderneuroloog
‘Werken in de zorg staat bekend als zwaar. Ik denk inderdaad dat we relatief veel uren draaien. Maar ik weet niet beter en doe het graag. Emotioneel kan het belastend zijn, bijvoorbeeld als een kind overlijdt. Gelukkig komt dat niet zo vaak voor. Daardoor is het draaglijk, temeer omdat ik vaak voor de ouders wat kan betekenen. De zorg komt geregeld negatief in beeld; er wordt bericht over bezuinigingen, misstanden, medische missers, torenhoge zorgkosten. Maar de dagelijkse realiteit is dat elke dag duizenden zorgverleners zich het vuur uit de sloffen lopen om het voor hun medemens zo goed mogelijk te organiseren. Werken in de zorg is toch iets dat we met hart en ziel doen. Die positieve kant mag wat vaker naar buiten komen. Het leuke van mijn vak is de combinatie tussen techniek en mensen. Ik kan er mijn bètakant in kwijt, maar ben ook hulpverlener. Naast het kind krijg ik met de ouders en de rest van het gezin te maken, met wie ik vaak een langdurige band opbouw. Ik kom ze tegen op een moment dat ze liever niet hadden meegemaakt; hun kind is ziek, heeft een ongeval gehad of blijkt gehandicapt. En dan proberen we met een zorgteam die fase in goede banen te leiden. Als dat lukt, geeft dat ondanks de ellende veel voldoening. Bij meervoudig gehandicapte kinderen speelt ook het chronische begeleidingsaspect. Daarin werk ik samen met andere partijen zoals de thuiszorg, het medisch kinderdagverblijf, de huisarts, de school, enzovoorts. Om kinderen te onderzoeken moet ik mijn creativiteit aanspreken. Het beoordelen van reflexen lukt bijvoorbeeld alleen als een kind ontspannen is. Ik laat ze dan van alles vertellen over school of daag ze uit met een moeilijk sommetje of raadsel. Echt kleine kinderen zijn makkelijk af te leiden met een lampje. Het leuke is ook dat ze zo eerlijk zijn. Ooit hoorde ik een kind nog net tegen zijn moeder zeggen toen ik de kamer verliet: ‘Nou mam, dat was wel een heel kleine dokter, hè?’ Ik ben 1 meter 56. Ook vroeg een collega – die net had gehoord dat hij professor zou worden – aan mijn patiëntje of hij even mee mocht kijken omdat ik er zelf niet goed uitkwam. Het kind zei: ‘Tuurlijk, jij moet het ook nog leren.’’

Ook in de zorg werken?

De werkdruk is hoog, het is emotioneel zwaar, maar toch geven zorgverleners hun baan gemiddeld een 7,6 als rapportcijfer. De komende jaren zijn alleen al in de ouderenzorg zo’n 100- tot 125 duizend extra medewerkers nodig. Dus, lijkt het je wat?  



Rutte III en de zorg

Geen hervormingen, wel verbeteringen, maar ook bezuinigingen

+ De nieuwe regering is voornemens af te blijven van het zorgverzekeringspakket. Het verplichte eigen risico blijft € 385 per jaar. Wel zullen de zorgpremies oplopen.
+ Voorheen moest men voor verschillende soorten gemeentelijke hulp steeds weer een eigen bijdrage betalen. Door het stapelen van die bijdragen konden die kosten erg oplopen. Dat wordt aan banden gelegd: huishoudens die gebruik maken van gemeentelijke voor­zieningen betalen daarvoor € 17,50 per vier weken.
+ Om het manifest ‘Waardig ouder worden’ uit te voeren is in deze kabinetsperiode 180 miljoen euro beschikbaar, daarna 30 miljoen euro per jaar.
+ Om te voldoen aan nieuwe normen voor goede verpleeghuiszorg, wordt structureel 2,1 miljard euro vrijgemaakt. Een deel van dat geld is bedoeld om personeelstekorten op te lossen.
+ De nieuwe regering gaat hoog inzetten op preventie: het voor­komen dat mensen ziek worden. De komende kabinetsperiode is daarvoor 170 miljoen euro voor vrijgemaakt, daarna 20 miljoen per jaar. De focus komt te liggen op het bestrijden van roken en overgewicht.
+ De voorgenomen bezuiniging van 188 miljoen euro op de Wet langdurige zorg wordt terug­gedraaid.
+ Er gaat meer geld naar jeugdhulp: 54 miljoen euro, de komende regeerperiode.
+ Om al dit geld op te hoesten wordt er ook bezuinigd: tussen 2019 en 2022 jaarlijks 1,9 miljard op onder meer de medisch-specialistische zorg, geestelijke gezondheidszorg, huisartsenzorg, multi­disciplinaire zorg en wijkverpleging. Hoe? Dat moet nog blijken. Ook moet er jaarlijks 460 miljoen euro minder uitge­geven worden aan de inkoop van medicijnen.


Hoeveel mensen werken in de zorg?

Ongeveer 1,2 miljoen mensen werken in Nederland in de gezondheids- en welzijnszorg. 480 duizend van hen werken in de gezondheidszorg, onder meer in zieken­huizen, de geestelijke gezondheidszorg en huisarts­praktijken. In de verzorging en de welzijns­zorg, zoals in verpleeg- en verzorgings­huizen, de thuiszorg en de kinder­opvang, zijn 680 duizend mensen in dienst.




Sluiten

INHOUDSOPGAVE
inhoud6.jpg