RADAR+ Online

Word Abonnee

tekst Marte van Santen

GettyImages-543574284.jpg

Vijf deskundigen over depressies

Op dit moment lijden zo’n 550.000 Nederlanders aan een depressie. Een op de vijf mensen tussen de 18 en 65 krijgt er ooit mee te maken. Vijf deskundigen vertellen erover. Psychiater Jasper Zandvoort: ‘Dat het overgrote deel van mensen met een depressie onterecht antidepressiva slikt, is pertinent niet waar.’
vier-artikelen-banner_winter

Helpen antidepressiva tegen een depressie?

Jasper Zantvoord, psychiater bij de afdeling ­psychiatrie van het AMC Amsterdam, is gespecialiseerd in de behandeling van depressie. ‘Jaarlijks krijgen naar schatting een miljoen Neder­­­­­­­landers antidepressiva voorgeschreven. Dat ­betekent echter niet dat zij allemaal depressief zijn. De ­medicijnen worden namelijk ook voor andere aandoeningen gebruikt. Bij een angststoornis of pijnklachten bijvoorbeeld. De laatste jaren was er veel te doen over of antidepressiva eigenlijk wel werken. Dat kwam vooral omdat fabrikanten studies met een negatieve uitkomst voorheen lang niet altijd publiceerden. Gelukkig maken inmiddels steeds meer fabrikanten al hun resultaten openbaar, ook de minder gunstige. Daar zijn ook afspraken over gemaakt. Recent hebben onafhankelijke onderzoekers de uitkomsten van 32 gepubliceerde én ­ongepubliceerde studies over het gebruik van antidepressiva bij depressieve patiënten opnieuw bekeken. Wat bleek? In ongeveer de helft van deze studies werkten de antidepressiva beter dan een neppil. Het effect was weliswaar relatief klein, maar dat geldt ook voor sommige andere veelgebruikte medicijnen, zoals bepaalde bloeddrukverlagers. Verder verschilt de werkzaamheid van geval tot geval. Bij een ernstige depressie is die bijvoorbeeld groter dan bij een milde. Kortom: antidepressiva werken inderdaad niet bij iedereen. Maar het idee dat het overgrote deel van de mensen met een depressie onterecht dit soort ­middelen slikt, is dus pertinent niet waar. Belangrijk is om een goede en zekere diagnose te stellen. Vervolgens kunnen arts en patiënt samen de voor- en nadelen van medicatie tegen elkaar afwegen. Veel gebruikers ervaren namelijk wel bijwerkingen, zoals maag- en darmklachten, seksuele problemen en gewichtstoename. Natuurlijk moeten artsen niet onnodig anti­depressiva voorschrijven, maar vergeet niet dat patiënten heel erg onder hun depressieve ­klachten kunnen lijden. Dan zijn medicijnen vaak hun ­redding. Kritisch discussiëren over nut en noodzaak van pillen bij depressie? Moeten we zeker doen. Maar dan wel op basis van feiten. Laten we vooral niet het kind met het badwater weggooien.’

Hoe herken je een depressie bij een kind en hoe kun je hem helpen?

Ria Pengel werkt als klinisch psycholoog i.o. en psychotherapeut bij De Bascule, academisch centrum voor kind- en jeugdpsychiatrie. ‘Een depressief kind voelt zich langere tijd somber, verdrietig, waardeloos en mislukt. Daar kunnen aller­lei klachten bij horen. Nachtmerries, piekeren, (faal)angst, concentratieproblemen, een negatief zelf­beeld, besluiteloosheid, vermoeidheid, hoofdpijn, buikpijn en meer of juist minder slapen. Ook heeft een depressief kind vaak de neiging om zich terug te trekken. Een aantal gaat blowen of ­drinken. De somberheid kan zo erg zijn dat een kind niet meer wil leven.
Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 1 op de 20 ­kinderen en jongeren te maken krijgt met een depressie. Een veel grotere groep heeft last van sombere gevoelens. Er is niet altijd één duidelijke oorzaak; vaak gaat het om een optelsom van factoren. Erfelijke aanleg is belangrijk, en ook de persoonlijkheid van het kind – de manier waarop hij of zij naar de wereld kijkt en met problemen omgaat – en de omstandigheden spelen een rol. Bovendien zijn jongeren in de vroege puberteit, rond de overgang van de basisschool naar de middelbare school, kwetsbaarder voor ­depressieve klachten.
Bij een milde depressie kan een aantal gesprekken met een hulpverlener op school voldoende helpen. Zijn de depressieve klachten ernstig, dan is cogni­tieve gedragstherapie het advies. Doel daarvan is om kinderen te leren minder waarde aan hun ­sombere en beangstigende gedachten te hechten. In aan­vulling hierop zijn er trainingen om de sociale vaardigheden en het zelfvertrouwen van het kind te ­versterken. Zo nodig kunnen antidepressiva een steuntje in de rug geven. Ook ouders krijgen ­begeleiding.
Het allerbelangrijkste is: het kind weer in beweging krijgen. Het moet weer een reden hebben om zijn of haar bed uit te komen. Als ouders creëer je die door zo veel mogelijk structuur en regelmaat in de dag aan te brengen. Dus bijvoorbeeld samen ontbijten en je kind verantwoordelijk maken voor het uitlaten van de hond. Oók als hij of zij niet meer naar school gaat.’

Is het lastig om antidepressiva af te bouwen?

Huisarts Jako Burgers is hoofd van de afdeling Richtlijnontwikkeling & Wetenschap bij het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) en bijzonder hoogleraar Bevorderen van persoonsgerichte zorg in richtlijnen aan de Universiteit Maastricht.
‘Het minderen van antidepressiva is knap lastig. Gebruikers zijn bang dat ze zich zonder de medicijnen weer somberder gaan voelen. Bovendien kunnen ze tijdens het afbouwen last krijgen van lichamelijke ongemakken, zoals onrust, slaap­problemen of een grieperig gevoel. Vandaar dat je ook nooit ineens helemaal met de medicatie moet stoppen. In de huidige huisartsenrichtlijn over anti­­­­­­­depressiva staan maar een paar regels over hoe je deze medicatie het beste kunt afbouwen. In de praktijk blijkt dat te weinig houvast te geven. We gaan er dan ook nu meer praktische tips en hand­vatten in opnemen. Begin 2018 moet de ­nieuwe richtlijn klaar zijn.
Misschien hebben we als dokters wel onderschat hoe moeilijk stoppen voor veel patiënten is. Vandaar dat we huisartsen ook extra nascholing over dit onderwerp willen bieden.
In de nieuwe versie van de richtlijn gaan we in op hoe we patiënten psychisch meer en beter kunnen ondersteunen bij het afbouwen. De praktijkondersteuner van de huisarts kan bijvoorbeeld regelmatig contact houden en tips geven. Verder besteden we aandacht aan verschillende doseringsschema’s om het afbouwen zo gemakkelijk mogelijk te maken. Nu al gebeurt dat geleidelijk, maar mogelijk gaat dit voor een aantal mensen toch nog te snel, vooral in de laatste fase. Een praktische oplossing is dan bijvoorbeeld om druppels of afbouwstrips met een heel lage dosering te gebruiken. De huisarts kan ze met medewerking van je apotheek voorschrijven.
Sowieso is het goed om bij je huisarts aan de bel te trekken als je met antidepressiva zou willen ­minderen of stoppen. Daarvoor hoef je niet te wachten tot de nieuwe richtlijn er is; hij of zij helpt je graag verder.’

Meer informatie: thuisarts.nl/depressie/ik-wil-antidepressiva-afbouwen

Wat kun je doen aan een winter­depressie?

Ybe Meesters is klinisch psycholoog en hoofd van de polikliniek winterdepressie van het Universitair Medisch Centrum Groningen.
Zo’n 480.000 Nederlanders lijden aan Seasonal Affective Disorder (SAD), zoals we een winter­depressie officieel noemen. Nog eens 1,3 miljoen mensen hebben een winterdip, met vergelijkbare, maar mildere klachten.
De symptomen van een winterdepressie en een ‘normale’ depressie lijken erg op elkaar: vermoeidheid, somberheid, moeite met concentreren en de ­neiging om je terug te trekken. Maar er zijn ook ­duidelijke verschillen. Meest kenmerkend is natuurlijk dat patiënten met een winterdepressie in de zomer helemaal geen klachten ervaren, maar wel nagenoeg elk jaar in de herfst en winter. Verder lijden mensen met een ‘gewone’ depressie vaak aan slapeloosheid en een gebrek aan eetlust. Bij een winterdepressie is het juist andersom; sommige patiënten slapen wel veertien uur per dag en zijn dan nog niet uitgeslapen. Bovendien hebben ze een grote behoefte aan eten, vooral koolhydraatrijk en zoet voedsel. Daardoor komen ze in de winter vaak aan.
Lang hadden we het vermoeden dat een tekort aan melatonine – het hormoon dat onze biologische klok regelt – een winterdepressie kon ­veroorzaken. Daarvoor is echter geen hard bewijs. Opvallend genoeg hebben vrouwen vier keer zo vaak last van een winterdepressie als mannen. Mogelijk heeft dat te maken met schommelingen in de vrouwelijke hormonen.
Helaas kun je een winterdepressie niet voorkomen. Maar er is gelukkig wel een effectieve behandeling: lichttherapie. Patiënten gaan daarbij gedurende een werkweek op de poli dagelijks 45 minuten onder een daglichtlamp. Het resultaat is indrukwekkend: 70 à 80 procent is daarna helemaal van hun klachten af. Als je er vroeg bij bent, is een patiënt vaak met één week therapie de hele winter klachtvrij. ­Overigens hoeft de depressie daarvoor niet heel ernstig te zijn; ook bij matige klachten heeft de behandeling zin. Er zijn veel klinieken in Nederland die licht­therapie aanbieden. Laat je wel door je huisarts door­ver­wijzen, anders is de kans groot dat je zorgverzekeraar de behandeling niet vergoedt.’ 




Sluiten

INHOUDSOPGAVE
In dit RADAR+ magazine
004_BW_RADAR6.jpg
Deze website maakt gebruik van Cookies. Waarom? Klik HIER voor meer informatie.