RADAR+ Online

Word Abonnee

Tekst: Diana de veld

GettyImages-959034852.jpg

Vet is nuttig

We hebben niet voor niets allemaal in meer of mindere mate een vetlaagje: vet is een energiebron, het houdt ons warm en behoedt ons voor breuken. Daarnaast is ons vetweefsel een gevoelig orgaan dat hormonen produceert én erop reageert. En dan is er ook nog zoiets als bruin vet, dat ons zelfs dunner maakt. Een lesje vethuishouding. 

 

4promo3nrs

Hoewel niet iedereen even warme gevoelens koestert voor zijn vetweefsel, kun je als mens echt niet zonder. De belangrijkste functie van onze witte vetcellen is het opslaan van vet. Vet­cellen kunnen als een ballon uitzetten om meer vet op te nemen, en weer slinken als ze vetzuren afgeven aan het bloed. Wanneer je vijf kilometer hardloopt of flink aan het boenen bent in huis, spreek je je vetvoorraad al aan. Datzelfde geldt als je een nacht lang slaapt en dus niet eet. Zodra je brandstof opraakt, geven je vetcellen vetzuren af aan je bloed. En één gram vet levert meer dan twee keer zo veel energie als één gram glucose (suiker of koolhydraten). 

 

Waar zit dat vet?

Je vetweefsel zit door heel je lichaam verspreid, maar de grootste voorraden bevinden zich onder de huid en rondom de organen in de buik, het zogenoemde viscerale vet. Onderhuids vet kan zich overal bevinden, bijvoorbeeld op je heupen, in je gezicht of armen. Behalve voor opslag van energie zorgt vetweefsel ook voor een beetje bescherming tegen de kou. Verder zul je minder snel iets breken of kneuzen als je de klap kunt opvangen met een laagje vet. 

Onderhuids vet kan veel minder kwaad dan visceraal vet. Dat laatste geeft een hogere kans op hart- en vaatziekten en ­diabetes. Dat komt doordat er in je buik relatief weinig plek is voor vet­cellen om uit te zetten. Bij vetweefsel onder de huid gaat dat makkelijker: je huid groeit gewoon mee. Maar rond je buikorganen komen uit­zettende vetcellen in de verdrukking. Het vet kan daardoor uit de cellen gaan lekken, waardoor de suikerstof­wisseling van organen ontregeld raakt. Uiteindelijk kan dat ­leiden tot diabetes. Ook kunnen vetcellen doodgaan. Dode vetcellen trekken ontstekingscellen aan, en die zijn weer ­schadelijk voor je bloedvaten. Zo kan een teveel aan ­visceraal vet leiden tot hart- en vaatziekten. De ontstekingsstoffen verhogen ook het risico op een aantal ­soorten kanker én kunnen leiden tot een ­depressieve stemming. 
Of je vet vooral onderhuids of juist in de buik opslaat, verschilt van persoon tot persoon – de befaamde appels en peren. Naast aanleg speelt hierbij leefstijl, stress en medicijngebruik een rol.

"Bij extreme kou ­verbrandt je bruine vet 200 calorieën extra per dag. Dat is toch maar mooi 8 kilo per jaar"

Vrouwen hebben meer vet

Niet elke vrouw is een Rubensvrouw, maar het gemiddelde vetpercentage ligt bij hen hoger dan bij mannen. Voor mannen is meer dan 20 procent lichaamsvet te veel, bij vrouwen ligt die grens op 30 procent. En dat is niet voor niets. Vrouwen in de vruchtbare leeftijd kunnen in principe ­zwanger worden. Daarom wil moeder natuur graag dat ze een voorraadje brandstof bij zich dragen. Niet alleen voor de groei van het ongeboren kind, maar ook voor de borstvoedingsperiode erna. 

Om te voorkomen dat vrouwen met te weinig voorraad zwanger raken, krijgen vrouwen met een vetpercentage lager dan 17 procent geen eisprong meer. Topturnsters, die veel spieren hebben en weinig vet, stoppen vaak met menstrueren. Hetzelfde geldt voor anorexiapatiënten. 

Te veel vet is trouwens ook niet goed voor de vruchtbaarheid. Vetweefsel maakt namelijk oestrogenen aan en beïnvloedt zo de hormooncyclus. Bij vrouwen verhogen oestrogenen bovendien de kans op onder meer borstkanker en baarmoederkanker. Maar niet alleen vetweefsel van vrouwen maakt oestrogenen aan. Ook dikke mannen maken meer oestrogenen aan. Zij vervrouwelijken daardoor een beetje: ze krijgen bijvoorbeeld minder baardgroei en soms ontstaat er borstgroei. Door veelvuldig alcoholgebruik stijgt de oestrogeenproductie ook – met dezelfde gevolgen.

 

Hormoonfabriekje

Wetenschappers ontdekten in de jaren negentig dat vetcellen allerlei hormonen produceren. Inmiddels staat de teller op meer dan 600. Dat maakt vetweefsel een heel interessant orgaan dat praktisch elk ander orgaan in ons lichaam beïnvloedt. Een van de belangrijkste door vetweefsel ­gemaakte hormonen is leptine. Dit hormoon regelt heel veel processen in ons lichaam. Zo zorgt het via ­signaaltjes naar je hersenen voor een gevoel van verzadiging. Leptine heeft ook invloed op het immuunsysteem. Als je te weinig vet hebt en dus te weinig leptine aanmaakt, draait je afweer op een lager pitje en ben je vatbaarder voor infecties. Vetweefsel maakt daarnaast onder meer ­hormonen die de bloeddruk verlagen én die de bloeddruk ­verhogen. Bij overgewicht raakt de balans daar­tussen verstoord, waardoor de bloeddruk stijgt. 

50 miljard vetcellen in één mens

Hoewel naar schatting jaarlijks 10 procent van het totale aantal vetcellen wordt vervangen door nieuwe cellen, blijft het totale aantal vetcellen vanaf je twintigste ongeveer gelijk. Dit is een van de redenen waarom het lastig is om slank te worden als je als kind of puber al dik was. Dan ga je namelijk met meer vetcellen je volwassen leven in, en die cellen geven hongersignalen af als ze meer vulling wensen. Andersom biedt het helaas geen garantie tegen overgewicht als je slank je volwassen leven in gaat. Je hebt dan weliswaar minder vetcellen, maar die kunnen alsnog extra vet opnemen en groter worden. Maar het is vooral extra moeilijk om slank te blijven voor mensen die als kind al dik waren.
De gemiddelde mens heeft ongeveer 50 miljard vetcellen. Je ­hersenen ‘meten’ aan de hand van hormonen in je bloed of het aantal vetcellen nog wel constant is. Zelfs als je met een liposuctie vet weg laat zuigen, weet je lichaam het aantal vetcellen constant te houden. De vetcellen komen gewoon ergens anders terug – bij vrouwen is dat vaak in de borsten. Veertig procent van de vrouwen die een liposuctie ondergaat, groeit daarna één of meer cupmaten.

 

Vet waarvan je slank wordt

En dan is er nog bruin vet. ‘In tegenstelling tot je gewone ‘witte’ vetweefsel slaat het geen energie op, maar verbrandt het juist vetzuren tot warmte’, vertelt dr. Mariëtte Boon, die promoveerde op onderzoek naar bruin vet. ‘Het heeft dus een tegenovergestelde functie. Eigenlijk is bruin vet een soort vetkacheltje.’ Bruin vet komt alleen voor bij zoogdieren, en met name bij zoogdieren die een winterslaap houden, zoals vleermuizen en egels. Zij ­gebruiken hun vetkacheltje om na een lange periode van slapen snel op te warmen. De mens heeft als pasgeborene de grootste hoeveelheid bruin vet. Door flink te stoken kan een baby zijn lichaam op ­temperatuur houden. Maar ook op volwassen leeftijd resteert er wat bruin vetweefsel, ongeveer drie ons. Het zit vooral rond de grote bloedvaten in je bovenlichaam. Handig, want zo kan het bruine vetweefsel je bloed verwarmen en zo je hele lichaam ­bereiken. Door de extra vetverbranding kan bruin vetweefsel helpen in de strijd tegen overgewicht. Wil je je bruine vet­weefsel optimaal inzetten om vet te verbranden? Dan zul je de kou ­moeten trotseren. ‘Als je het koud hebt, dan geven je ­hersenen een seintje af aan de bruine vetcellen om extra te gaan stoken’, verklaart Boon. Bij ­extreme kou verbrandt je bruine vet per dag 200 kilo­calorieën extra. Daarmee kun je jaarlijks acht kilogram afvallen. Nou houden de meeste ­mensen niet zo van kou lijden. Maar je hoeft niet à la iceman Wim Hof in poolwateren te zwemmen om enige baat te hebben: ook bij temperaturen van een graad of 15 verbrandt je bruine vet al wat meer energie. Bovendien zoeken onderzoekers nog naar ­manieren om bruin vet ‘aan’ te zetten ­zónder dat daar kou voor nodig is. Bijvoorbeeld met ­medicijnen.



Slanke mensen hebben soms gewoon geluk


Gezond eten en genoeg bewegen blijft de beste basis voor een gezond gewicht. Toch zijn er nog veel meer factoren van invloed op je vetvoorraad. Zo blijkt ongeveer 40 tot 60 procent van de variatie in gewicht verklaard te worden door genen. Dat kan komen doordat je minder gevoelig bent voor de verzadigings­hormonen die je vet aanmaakt, of doordat je extra gevoelig bent voor het stresshormoon cortisol. Vetcellen maken namelijk niet alleen ­hormonen, maar reageren er zelf ook op. Zo zorgt cortisol voor meer vetopslag, vooral in visceraal vet, terwijl het schildklierhormoon de vetverbranding juist aanwakkert. Mensen met een overactieve schildklier vallen daarom af, en je kunt wel tien kilo aankomen als de schildklier uitvalt, zónder dat je meer gaat eten. Ook insuline beïnvloedt het vetweefsel: het zorgt voor meer opslag van vet. Lastig voor diabetespatiënten die insuline spuiten en willen afvallen. Er zijn trouwens wel meer medicijnen die zorgen voor meer vetopslag, zoals bètablokkers (tegen hoge bloeddruk), bijna alle anti-depressiva en antipsychotica. Ook prednison is berucht. 

Andere factoren die invloed hebben op je gewicht zijn de samenstelling van je darm­bacteriën en de kwaliteit van je slaap. Na een slechte nacht heb je meer honger. Het helpt ook niet als je lange tijd – meerdere weken achter elkaar – een crashdieet hebt gevolgd. Zo’n lange hongerperiode geeft namelijk een jaar later nog verstoring in je honger- en verzadigingshormonen én een verlaagde stofwisseling. ‘Eigenlijk is het een wonder dat er nog zo veel mensen slank zijn, terwijl maar weinig mensen écht gezond eten en voldoende bewegen’, vindt dr. Mariëtte Boon. Zij schreef samen met prof. Liesbeth van Rossum het boek Vet belangrijk, dat uitlegt hoe ingewikkeld onze vethuishouding in elkaar zit. ‘Mensen die slank zijn vergeten nog weleens dat zij misschien gewoon geluk hebben. En realiseren zich niet dat iemand anders misschien wél dik zou worden met dezelfde leefstijl.’