RADAR+ Online

Word Abonnee

20171017_RM_37_overw_DorotheaBil_170DEF.jpg

Omarm de winter

Er zijn mensen die zich door de winter heen slepen. Er zijn er ook die vrolijk door de plassen rennen, het seizoen gebruiken om een poppenhuis te repareren of een nieuwe taal te leren. 'Voor een pak sneeuw mag je me 's nachts wakker maken.'

J20171018RM#37_overw_JanVerhagen_063DEFJan Verhagen (69) is gepensioneerd fysiothera­­peut. Deze winter reviseert hij zijn locomotief bij zijn modelspoorbaanvereniging.
‘Op mijn tiende raakte ik gefascineerd door ­kleine modeltreinen. Jaren heb ik op ­zolder, maar ook buitenshuis, aan spoorbanen gebouwd. Na mijn zestigste zag ik die kleine onderdeeltjes niet goed meer en ben ik over­gestapt naar een groter formaat. Het leuke is dat ik op deze trein kan zitten als-ie rijdt. Je hebt de controle over een machine die bestaat uit heel oude stoomtechniek. Vroeger was ik de baas van een ziekenhuisafdeling, nu ben ik de baas van een trein. Elke zondag in de zomer komen kinderen naar de spoorbaan en rijden mee op de trein. Het allermooiste is wanneer ze onderweg roepen of het harder kan, en of ik nog een keer wil fluiten. Door al dat rijden in de zomer slijt de boel, in de winter onderhouden we de baan en de ­treinen. De locomotief moet dit jaar helemaal uit elkaar. Ik ben technisch niet de allerhandigste, dus ik krijg hulp van ­anderen binnen en buiten de vereniging. Dat is het leuke van deze hobby: ik ken treinlief­hebbers uit alle uithoeken van de wereld, tot India aan toe. Iedereen helpt elkaar. Ik ben niet het type modelbouwer dat achter een luik op zolder bezig is, zonder dat iemand zich ermee mag bemoeien. Bij sommigen mag moeder de vrouw er niet eens naar kijken. Ik deel mijn passie juist. Ook toen ik nog werkte. Ik krijg weleens reacties in de trant van: ­grote mannen met kleine speeltjes, dat klopt niet helemaal. Ze denken dat je een beetje koekoek bent. Mij maakt dat niks uit. Ik zie ook heel veel kleine mannen met grote speeltjes, zoals motors en raceauto’s. Ik snap dat, vind er niks vreemds aan. Achter elke hobby zit een verhaal. Ik vind het mooi als mensen hun passie volgen.’

20171014 RM#37_overwinteren_JustineKist_107DEFJustine Kist (55) is werkzoekend. Ze gaat komende winter het oude familiepoppenhuis opknappen, en een boek schrijven.
‘Als kind heb ik eindeloos gespeeld met het oude poppenhuis van mijn moeder. En ook mijn ­kinderen speelden ermee. Binnen de familie wist iedereen wat het huis emotioneel waard was, dus wij kinderen waren er heel voor­zichtig mee. Toen mijn moeder klein was, speelde ze met het dochtertje van de toen­malig directeur van het Rijksmuseum. Hij schonk een etsje voor het poppenhuis. Het huis wordt bewoond door een opa, oma, vader, moeder en een stel ­kinderen die allemaal op zolder ­slapen. Als kind ­stoorde het me dat er geen trap naar de zolder is. Ook de deur van de eetkamer naar de ­keuken ­ontbreekt, opa en oma moesten dus nood­gedwongen door een luik klauteren. Deze winter ga ik goed­maken wat mij als kind zo ­frustreerde: er komt een wenteltrap en een fatsoenlijke eetkamerdeur. Daarnaast moet het huis nodig worden opgeknapt. Het laatste gezin dat ermee ­speelde – zij waren huurders van een huis waar het stond – heeft het geruïneerd. Mijn moeder ­wilde het opdoeken, maar ik besloot het voor de volgende generatie te repareren. Ik ben alweer bezig met inrichten. Online kun je alles kopen, van piepkleine scharniertjes tot led­verlichting die je zo aan het plafond plakt. Als ik met het huis bezig ben, voelt dat weer als het spelen van vroeger. Ik betrap me erop dat ik de tafel dek en met het piepkleine stofzuigertje in de weer ga. Naast het repareren van dit poppen­huis wil ik deze winter een boek schrijven. Het verhaal – over een hond die de verwikkelingen van een turbulent gezin aanschouwt – ligt al jaren op de plank, maar ik ben van nature een uitsteller. Gelukkig is er in de winter minder afleiding, dus dit jaar moet het gebeuren. Als het goed is zijn in de lente een manuscript én een volledig gerenoveerd poppenhuis klaar.’

20171017 RM#37_overw_DorotheaBil_170DEFDorethea Bil (51) werkt in een hardloopwinkel en is zelf ook fanatiek renner. In de winter doet ze aan canitrail met haar Zwitserse witte herder Quasar.
‘Ik ben gek op de winter. De lucht is lekker fris, het bos ruikt schoon en als het regent ren ik ­tijdens het hardlopen het liefst als een kind door de plassen. De zomers zijn veel te warm voor me, en voor Quasar al helemaal. Honden zweten niet en raken daardoor hun warmte moeilijk kwijt. Als het buiten boven de 16 graden is, kunnen ze eigenlijk niet ver meer rennen. Quasar heeft veel beweging nodig en ik zelf ook; de winters zijn dus ideaal voor ons! Bij canitrailen zit de hond vast aan de baas met een flexibele lijn. Zo heb je zelf je handen vrij. Quasar en ik werken nauw samen; als we heuvelop lopen geef ik hem het commando dat hij mag trekken. Als we moe worden geef ik hem het commando ‘wandel’. En als hij het moeilijk heeft, dan gaat hij naast me lopen en drukt z’n neus tegen me aan. Je raakt op elkaar ingespeeld. Door samen te sporten wordt de band met je hond heel sterk. Voordat ik Quasar had, deed ik al aan ultraruns waarbij je meer dan vijftig kilometer door de natuur hardloopt. Toen mijn uitwonende dochter een hond nam, begon ik met hem te rennen in het bos. Dat vond ik veel gezelliger dan alleen. Mijn ­dochter en ik wilden haar hond graag meenemen op hardloopevenementen over onverhard terrein –de zogenaamde trailruns – maar vaak mochten op deze trails geen honden komen. Dat vond ik jammer. Ik ben toen zelf trailevenementen gaan organiseren waarbij de hond centraal staat. Waar je juist alleen mét hond aan mag meedoen. Zo is eigenlijk het canitrailen in Nederland ontstaan. Ik vind het ideaal. Je kunt het overal doen: in het bos, op de hei, aan het strand. Alleen of in een groep. Georganiseerd of op de bonnefooi. Halverwege of na afloop strijken we ergens neer voor water en warme chocomel. Het liefst in een café met open haard. Hond blij, ik blij.’

20171014 RM#37_overwinteren_VanWayenburg_107DEFBruno van Wayenburg (46, wetenschapsjournalist) en Karel van Wayenburg (16, scholier) duiken deze winter in een vreemde taal.
‘Sinds mijn tiende ben ik gefascineerd door vreemde talen, liefst zo exotisch mogelijk. Op vakantie In Wales schreef ik straatnaam­bordjes over en bij de Slegte kocht ik woorden­boekjes in allerlei vreemde talen. Later leerde ik Fins en Russisch. Twee jaar geleden merkte ik dat mijn zoon erfelijk belast is met deze talen­obsessie. Hij kijkt veel Japanse animatiefilms en ­verdiept zich online in de taal en het schrift. Het ­internet is een fantastisch hulpmiddel. Er zijn apps waarmee je woordjes kunt stampen, online leer­methodes en grote groepen gelijk­gestemden om mee te oefenen en uit te wisselen. ­Geïnspireerd door mijn zoon dook ik afgelopen winter in het Schotse Gaelic; de oude Keltische taal van Schotland. Deze winter ga ik daarmee verder. Ik kreeg les van een Schotse vriendin wier vader een ­Gaelic lesboek heeft ­geschreven. Met haar voer ik nu conversaties via Skype. ­Verder luister ik veel naar een ­Gaelic radio­zender, Radio nan ­Gàidheal. De programma’s gaan vooral over muziek en typisch Schotse dingen als boten, Brexit, de Schotse onafhanke­lijkheid, de pontjes tussen de eilanden en ­historische gebeurtenissen zoals de oorlog. En verder natuurlijk over voetbal. Elke week wordt er een zogenaamde ‘leerder van de week’ geïnterviewd, de neach-ionnsachaidh na seachdain. De ene week is dat iemand die al vloeiend ­Gaelic spreekt, de andere keer iemand die er meer moeite mee heeft. Mijn Schotse vriendin merkte laatst op dat het tijd wordt om mij op te geven voor het programma. In eerste instantie was ik huiverig, maar nu zie ik er toch het nut en de lol van in. Het is een stok achter de deur om extra mijn best te doen en me goed voor te bereiden. Als ik mensen vertel over mijn ­interesse ­zeggen ze vaak: ‘Ja dat is echt iets voor jou’. Het is een beetje nerdy. Zo nuttig is die taal niet voor een Nederlander. Maar Gaelic grijpt me nou ­eenmaal. En dan móét ik erachter komen hoe de taal in elkaar steekt.’

20171107_RM#37_overw_Annique&SaarHoogeveen_078Annique Hoogeveen (34) is pedagogisch mede-werkster in de kinderopvang.
‘Waar mijn liefde voor de winter vandaan komt? Ik weet het niet. Als kind had ik al weinig met de zomer. Het was te warm en ik verbrandde steeds. Sneeuw en ijs vond ik juist geweldig, we gingen ’s winters met het gezin veel naar buiten. Ik denk dat mijn voorkeur voor de winter ook verband houdt met mijn liefde voor zwarte kleren. Die kleur draag je nu eenmaal makkelijker in de winter. Zodra aan het einde van de zomer de ­blaadjes ­beginnen te verkleuren word ik blij. En als de ­lente afloopt krijg ik bijna een zomer­depressie. Mijn man en ik zijn ook expres midden in de winter getrouwd. Precies op die dag sneeuwde het. Jammer genoeg sneeuwt het niet vaak meer, maar zodra het eerste pak sneeuw is gevallen ren ik naar buiten in mijn skipak, al is het midden in de nacht. Dan maak ik een sneeuwpop, dans in de sneeuw of rol een besneeuwde heuvel af. Ook binnens­huis vind ik het in de winter heerlijk. We ­spelen veel spelletjes, liefst met zo veel mogelijk vrienden, wijn en chips. Mijn dochter is vijf en begint spelletjes nu ook te ontdekken. We steken kaarsjes aan en kruipen onder een kleedje op de bank met warme chocolademelk en een potje kwartet. We zijn ook dol op alle zoetig­heid die bij de winter hoort: speculaas, chocola, pepernoten. Zes jaar geleden ben ik pas voor het eerst op wintersport geweest. Het werd meteen een verslaving. Ik merk wel nu ik kleine kinderen heb dat ik mijn ­verwachtingen moet bij­stellen. Deze ­winter gaan we dus niet op wintersport, maar op sneeuw­vakantie met een ander gezin. De mannen gaan knallen op de ski’s, de ­moeders en kinderen gaan wandelen en sneeuw­­poppen maken. En als er tussendoor nog tijd is om even de piste op te gaan, is dat meegenomen.’




Deze website maakt gebruik van Cookies. Waarom? Klik HIER voor meer informatie.