RADAR+ Online

Word Abonnee

1GettyImages-713783643ZW.jpg

Zo werkt het brein

Nog niet zo heel lang geleden konden medici alleen de hersenen van doden bestuderen, maar sinds de ontwikkeling van de MRI-scanner in de jaren zeventig kan ook het brein van levende mensen grondig worden geanalyseerd. Dat levert interessante inzichten op. Een kort college, plus twee extra vragen aan professor Erik Scherder.
bestelnu1_2019

De hersenen zijn het meest ingewikkelde orgaan van ons lichaam. In het brein wordt – zonder dat we daar bewust mee bezig zijn – alles geregeld wat er binnen het lichaam moet gebeuren (de vitale levensfuncties, zoals ademhalen en hartslag­frequentie) en wat we ermee kunnen doen (bewegen, denken, voelen, ruiken, horen, zien). Hoe druk de hersenen het hier dag en nacht mee hebben, laten de volgende cijfers zien: de hersenen nemen slechts 2 ­procent van ons lichaamsgewicht in beslag, maar verbruiken maar liefst 20 procent van alle zuurstof die
we opnemen en zelfs 30 procent van de energie die we tot onze beschikking hebben.
De hersenen zou je dus kunnen zien als het centrale regelstelsel van het lichaam. Ieder deel ervan heeft een specifieke functie en zorgt ervoor dat we iets specifieks kunnen. In de hersenstam worden bijvoorbeeld de ademhaling en de hartslag geregeld.
Om goed te kunnen functioneren, hebben de hersenen natuurlijk wel informatie nodig. Een groot deel daarvan komt van onze zintuigen: organen die via de over het lichaam verspreide zenuwen prikkels opvangen en omzetten in elektrische signalen die via het ruggenmerg naar de hersenen worden doorgeseind. Daar wordt de binnenkomende informatie in het betreffende hersendeel verwerkt en gerubriceerd. De hersenen sturen zelf ook ­signalen via de zenuwen, bijvoorbeeld om het lichaam in ­beweging te zetten.
De buitenste laag van de hersenen wordt de hersenschors ­(cortex) genoemd. Die hersenschors kent flinke vouwen, zodat er lekker veel hersencellen (neuronen) in kunnen worden ­opgeslagen – we hebben er maar liefst 86 miljard. De diepste vouwen verdelen de hersenen in vier kwabben of lobben, waarvan de frontaalkwab de grootste – en de bekendste – is. Die kwabben hebben allemaal hun eigen functies. Betrekkelijk nieuw is het inzicht dat niet alleen de (groepjes) neuronen in zo’n hersen­gebied onderling met elkaar communiceren, maar dat de gebieden als geheel óók onderling informatie (grijze stof) uitwisselen. Dat gebeurt door middel van lange kabelverbindingen, die beschermd worden door witte stof – denk: een soort snelweg waarover informatie supersnel wordt doorgestuurd. Van cruciaal belang blijken hierbij zogenaamde hubs te zijn: de kruispunten waar de netwerk­verbindingen bij elkaar komen. Hoe drukker het kruispunt, hoe complexer het brein kan functioneren. Daardoor kun je dus tegelijkertijd lopen, bellen en een appel eten. Een beschadiging van het brein kan leiden tot ontregeling van in de hub verbonden gebieden en daarmee tot cognitieve problemen, bijvoorbeeld met het geheugen.
Een belangrijke functie van de hersenen is het opslaan van informatie. Omdat niet alles kan worden opgeslagen, hebben we een lange- en een kortetermijngeheugen. De informatie komt binnen in het kortetermijngeheugen en als het belangrijk is, wordt die daarna doorgesluisd naar de langetermijnafdeling. Daarvoor moet je wel wat moeite doen. Doe je dat niet, dan is de kans groot dat de specifieke verbinding van deze informatie tussen beide geheugens langzaam afsterft en de informatie vergeten wordt. Als je echter iets vaak herhaalt, wordt de ­verbinding steeds sterker en vergeet je het nooit meer (denk: lopen of fietsen).


Wat zijn belangrijke ontdekkingen in het hersenonderzoek van de afgelopen 20 jaar?


Erik Scherder: ‘De ontdekking van het belang van de hubs is een heel grote. Dankzij de MRI-scan en andere beeldvormende technieken zien we dat hubs al na ons dertigste minder druk worden. De witte stof heeft eerst dertig jaar nodig om er te komen en als die er eenmaal is, neemt het haast meteen, volgens het: last in, first out-principe, geleidelijk weer af. Hoe minder witte stof, hoe slapper het netwerk wordt en hoe langzamer en slechter het brein dus functioneert. Het tempo waarin de witte stof verdwijnt, kun je vertragen door een actieve levensstijl aan te nemen. Een kanttekening: dankzij de techniek weten we nu meer over het brein en wat daarin mis kan gaan. Maar dat wil niet zeggen dat alles wat je op de scan ziet in werkelijkheid klopt. Als je iemand functioneel test, ziet het er soms toch anders uit: beter of slechter. De neuropsychologie zal daarom altijd naast de scans staan om een totaalbeeld van iemand te krijgen.’


Wat valt er nog te ontdekken?

Scherder: ‘Een van mijn liefdes is pijnonderzoek bij mensen die door dementie kwetsbaar zijn. Dat is nog tamelijk onontgonnen gebied, zeker bij mensen die vasculaire dementie hebben, de vorm van dementie die door vaatschade wordt veroorzaakt. Om aan te geven hoe weinig daarover bekend is: er zijn wereldwijd maar drie studies naar gedaan, alle drie door ons. Dat onderzoek laat zien dat dankzij witte stofschade de kans op het ervaren van pijn bij deze groep toeneemt. Stel je voor: je ontwikkelt dementie waardoor je minder in staat bent om aan te geven wat er in je omgaat en dan krijg je ook nog eens meer pijn! Dat vind ik heel erg triest. Wat zouden we daartegen kunnen doen? Daar zou ik veel meer over willen weten.




Sluiten

INHOUDSOPGAVE
inhoud_r2.png